feiten 3

 

 

26. NOOIT LIJKEN VAN VERGASTEN GEVONDEN

Er is nooit een onderzoek of expertiserapport geweest met als uitslag: "dit lijk of deze lijken kwamen door "vergassing" om het leven"

Bij de duizenden gevonden lijken in de kampen waarop sectie werd verricht, is nooit één geval van gifgasvergiftiging ontdekt.

Toen Amerikaanse en Britse troepen West en Midden Duitsland binnentrokken werden ze op de voet gevolgd door afdelingen belast met het zoeken naar bewijzen van Duitse oorlogsmisdaden. Onder hen was Dr. Charles Larson, een van Amerika's meest vooraanstaande patholoog-anatomen, toegevoegd aan het Gerechtelijk Bureau van de Advocaat Generaal.

Larson verrichtte duizenden autopsies in meer dan 20 Duitse kampen, waaronder Dachau, waarbij hij soms per dag meer dan 100 lijken onderzocht. Na zijn sombere werk werd hij drie dagen door US Army aanklagers ondervraagd.

In 1980 zei Dr. Larson daarover: "Wat we hoorden was dat 6 miljoen Joden waren vernietigd. Een deel daarvan is bedrog."

Deze voornaamste onder de Geallieerde pathologen vertelde verder dat "er nooit één enkel geval van gifgasvergiftiging is ontdekt." Hij kwalificeerde het feit dat noch hijzelf, noch een van de andere forensisch specialisten ooit door holocausthistorici zijn geraadpleegd over sterfgevallen door Zyklon-B of welk ander gas dan ook, als "bedrog".

 
27. Aanvulling

In aansluiting op het vorige punt zij vermeld dat een Rapport van het Pools-communistische Jan Sehn Instituut in Krakow uit 1945, gepresenteerd op het Poolse Auschwitz-proces van 1946, zegt dat er in haarmonsters, haarspelden en een gegalvaniseerd deksel afkomstig uit een van de veronderstelde gaskamers van Birkenau blauwzuursporen zijn aangetroffen.

De sporen zijn kwalitatief, niet kwantitatief, zodat aanwezigheid werd vastgesteld maar niet de hoeveelheid.

Ook de voorgeschiedenis van de haarmonsters werd niet vermeld.
Het aantreffen van blauwzuursporen in haar is op zich geen bewijs voor vergassingen. Het was in alle Duitse (en geallieerde) kampen gebruik om hygiënische redenen, het haar van de gevangenen bij aankomst af te knippen. Haar vanaf een bepaalde lengte werd verzameld en voor het voor verwerking naar Duitsland werd verzonden, met Zyklon-B ontsmet. Dat kan de gevonden sporen in de haarmonsters en haarspelden verklaren.

Ook de herkomst en functie van het verzinkte deksel werd niet vermeld. Merkwaardig genoeg was dat slechts het enige object met cyanidesporen dat werd gevonden, terwijl Birkenau wordt verondersteld vier gaskamers en diverse ontluizingruimten te hebben gehad.
Duidelijk is dat dit onderzoek en de vermelde resultaten geen basis kunnen zijn voor de conclusie "massavergassingen".

 
28. GEEN ONDERZOEK WEES OOIT UIT: "DIT WAS EEN GASKAMER"

In de eerste 35 jaar na de oorlog werden nul deskundigenonderzoeken uitgevoerd die zich uitspraken over inrichting en faciliteiten van de zogenaamde gaskamers waarin miljoenen mensen tijdens de grootste en meest demonische massamoord aller tijden zouden zijn omgebracht.

Het eerste onderzoek dat die naam verdient kwam uit revisionistische kring en werd uitgevoerd door de Amerikaanse gaskamerspecialist ing. Fred A. Leuchter. Die onderzocht in 1978 de veronderstelde Zyklon-B gaskamers van Auschwitz en Majdanek, op chemische sporen en technologische hoedanigheden.

Daarop volgde een chemisch contra-expertise onderzoek van het Pools Forensisch Instituut dat de chemische bevindingen van Leuchter's onderzoek bevestigde.

Vervolgens was er het Rapport van de Oostenrijkse Voorzitter van de Vereniging van Ingenieurs, Ir. Walter Lüftl, welke "vergassingen" en "gaskamers" met Dieseluitlaatgas - waarmee het grootste aantal mensen zou zijn vergast - aan een kritisch onderzoek onderwierp.

Tenslotte was er het uitgebreide en nooit weerlegde Rapport van de excellente Duitse chemicus Dr. Germar Rudolf, verbonden aan het Max Planck Instituut, die niet alleen definitief afrekende met het cordon van leugens dat rond het Leuchter Rapport was opgetrokken, maar ook wetenschappelijke helderheid verschafte over het (niet) gebruik van Zyklon-B in die ruimtes.

Elk van deze deskundigenrapporten (Leuchter, Lüftl en Rudolf) bevestigde dat de als "gaskamers" aangeduide ruimten niet als zodanig hebben kunnen functioneren en sluit uit dat die ruimten als zodanig gebruikt (kunnen) zijn.

Op het Auschwitz-proces van 1972 stonden de beide architecten terecht welke verantwoordelijk waren voor het ontwerp, de bouw en het onderhoud van de vier crematoria in Birkenau, Walter Dejaco en Fritz Ertl.

Ook zij ontkenden elke mogelijke aanwezigheid van "gaskamers" en hielden vol dat de crematoria nooit een andere functie hadden gehad dan het verbranden van de lijken van in het concentratiekamp gestorvenen.
De rechtbank had een onafhankelijke deskundige opgeroepen welke onder meer antwoord moest geven op twee vragen:

1. Valt uit bouwplannen en tekeningen op te maken dat de betreffende ruimten als gaskamers zouden worden gebruikt? en

2. Konden de beklaagden uit de plannen opmaken dat men er later gaskamers van kon maken?

Beide vragen beantwoordde de deskundige met nee omdat was gebleken dat de ruimten bij de crematoria in Auschwitz-Birkenau geen gaskamers geweest konden zijn.

Heel opvallend is ook dat beide SS-bouwkundigen niet alleen verantwoordelijk waren geweest voor het ontwerp en de bouw van de "gaskamers", maar ook voor het onderhoud. Belangrijk, want het betekende ­ als er daadwerkelijk sprake was geweest van massavergassingen ­dat het niet anders kon of zij zouden daarvan getuigen moeten zijn geweest. Tijdens het proces bleek ook daarvan helemaal niets.
Beide verdachten werden dan ook, mede op grond van het deskundigenrapport, vrijgesproken.

Dat er alles aan was gedaan om hen veroordeeld te krijgen blijkt uit een brief die Hermann Langbein, voorzitter van het Internationale Auschwitz-Comité en indiener van de aanklacht, voorafgaand aan het proces aan de potentiële getuigen had verzonden. Daarin stond letterlijk:

"Naar mijn mening is het doelloos als een gevangene iets goeds over Dejaco zegt. Als hij echter zeggen kan dat hij bij de bouw van het Crematorium geholpen heeft, kan dat als medeplichtigheid aan moord worden beschouwd en zo eventueel zijn veroordeling bewerkstelligen."

De "chemische en technologische onmogelijkheid" van "vergassingen" conform de Joodse Holocaust Versie kan nog met talloze andere worden aangevuld, maar wellicht de meest overtuigende is de totale afwezigheid van bewijzen in het nog maar kortgeleden ontdekte Archief van de Centrale Bouw Afdeling van de SS in Auschwitz.

In februari 1990 verscheen in het Russische dagblad Izvestia een opvallend artikel waarin de ontdekking van de volledige administratie van de Zentralbauleitung van het concentratiekamp Auschwitz werd bekendgemaakt. Het Rode Leger had de volledige en ongeschonden documenten van die belangrijke kampafdeling in 1945 aangetroffen en overgebracht naar Moskou.

Daar verbleven zij 45 jaar lang verzwegen en onopgemerkt. Het Izvestia artikel "Vijf dagen in een Speciaal Archief" van de journaliste S. Maximova informeerde de lezers dat een militaire tolk vlak na de oorlog een klein deel had vertaald, maar dat het merendeel van de tienduizend documenten nooit was onderzocht, noch door Russische noch door Westerse onderzoekers. "De lijst van gebruikers van de documenten is blanco", werd gezegd.

De Britse anti-revisionistische historicus Gerald Fleming werd attent gemaakt op het artikel en stelde gedreven door de verwachting in de enorme hoeveelheid originele documenten eindelijk de lang ontbrekende bewijzen voor homocide-vergassingen te zullen vinden pogingen in het werk toegang tot het archief te krijgen.

Via correspondentie met onder andere Edward Shevardnadze, verkreeg Fleming onbeperkt toegang tot het archief in de Vyborgskaya Ulitsa 3 in Moskou en onderzocht 9 dagen lang ca. 85% van de documenten. Fleming maakte er geen geheim van dat het voornaamste onderwerp van zijn onderzoek was het vinden van bewijzen waaruit zou blijken dat de argumenten en feiten van de revisionisten onwaar zouden zijn.

Fleming vond echter blijkens het verslag van zijn zeer uitgebreide archiefonderzoek geen enkel bewijs voor vergassingen of gaskamers.

Als het uitvoeren van massavergassingen het voornaamste doel van het "vernietigingskamp" was, dan zouden er ongetwijfeld honderden, zo niet duizenden onweerlegbare bewijzen voor "vergassingen" te vinden zijn geweest in het ontwerp, de constructie, de outillage, het onderhoud en veranderingen in crematoriumcomplexen en hun omgeving en eerdere "provisorische" locaties. Directe bewijzen voor een massamoordprogramma zouden gevonden moeten worden in de talloze bouwtechnische en documentaire geschriften. Maar Fleming vond daarvan, helemaal niets......
Hij erkende zelf dat het Moskouse archief niet één enkel bewijs van het bestaan van één enkele gaskamer bevat..... Hoe kan dat toch??

Gelukkig maar dat uit later onderzoek van o.m. de revisionisten Carlo Mattogno en Jurgen Graf bleek dat dit archief wel duidelijke aanwijzingen bevat die de Joodse Holocaust Versie tegenspreken. Daarop kom ik nog terug.

 
29. GEEN GETUIGE TOONDE AAN ZELF EEN "GASKAMER" TE HEBBEN GEZIEN

In punt 22 en 23 is al uiteengezet dat niemand ooit aantoonde zelf een "gaskamer" te hebben gezien en ook dat daarover ontstellend veel valse getuigenissen zijn afgelegd.

Abbé Pierre, Jean-Paul Renard, Abbé Georges Héncoque, Mel Mermelstein en de 10.000 valse getuigen van Shmuel Krakowski bewijzen dat, maar ook "kroongetuigen" zoals Höß, Gerstein, Vrba en vele, vele anderen met hun deels tegenstrijdige, natuurkundig onzinnige en onmogelijke (nooit gecontroleerde) verklaringen.

Daarmee zijn vele boeken te vullen en we gaan hierop dan ook niet verder in. Het lijkt beter te wachten op de eerste getuige die bewijst zelf ooit een "gaskamer" te hebben gezien. Dat kan nog wel even duren, want inmiddels zijn er 60 jaar verlopen zonder dat die is verschenen.....

 
30. "GASKAMERBOUWER" WEERSPREEKT GASKAMERS

Hiervoor zagen we dat expertiserapporten zeggen dat de ruimten die "gaskamers" worden genoemd niet als zodanig hebben kunnen functioneren. De argumenten daarvoor zullen onder het volgende punt nog gedetailleerd worden aangeven.
Ook zagen we dat de voor ontwerp, bouw en onderhoud van de Crematoria in Birkenau verantwoordelijke SS-architecten, Walter Dejaco en Fritz Ertl, bij het Weense Auschwitz Proces in 1972 op grond van een onafhankelijk deskundigenrapport werden vrijgesproken.
Ook de omvangrijke en ongeschonden Moskouse Archieven bleken niet één enkel direct of indirect bewijs te bevatten voor het bestaan van "gaskamers".

Voor wie dat allemaal nog niet voldoende vindt is er nog de verklaring van Diplom. Ing. Dr. Walter Schreiber, hoofdbouwkundige bij Huta GmbH, de firma uit het nabijgelegen Kattowitz die het crematoriumcomplex in Auschwitz-Birkenau bouwde. Schreiber legde in 1998, een jaar voor zijn dood, vrijwillig een verklaring af waarin hij zegt veelvuldig in Auschwitz te zijn geweest, daar vrij in en uit kon gaan, vaak groepen gevangenen in slechte conditie zag, maar nooit mishandelingen of massamoord.

De kern van zijn verklaring is: "We bouwden lijkenkelders, geen gaskamers".
Schreiber was van 11 januari 1943 tot januari 1945 direct betrokken bij de bouw van de twee grootste Crematoria van Auschwitz, de Crematoria II en III. Gevraagd naar gaten in het plafond (voor het inwerpen van Zyklon-B) zei hij zich die niet te herinneren, maar dat hij, vanuit de verplichte nevenfunctie van die kelders als schuilkelders, daartegen absoluut bezwaar zou hebben gemaakt.

Gevraagd of het denkbaar is dat de SS die ruimtes later heeft omgebouwd stelde hij dat uitgesloten te achten. Hij wist (zoals iedere bouwkundige in het Oosten) hoe Zyklon-B ontluizingsruimten ("Gaskammern") eruitzagen en was dus goed bekend met het soort apparatuur, voorzieningen en bouwkundige eisen welke daarvoor nodig waren.

Niets daarvan was in de lijkenkelders aanwezig. Later aanbrengen daarvan achtte hij ondenkbaar. Zijn eigen firma was daarvoor in elk geval nooit gevraagd, zodat de SS in dat geval een andere bouwmaatschappij had moeten inschakelen. Op eigen kracht of met behulp van gevangenen kon de SS het niet. Alleen al de tijd en de middelen waren onvoldoende.

Schreiber werd nooit als getuige gehoord over de bouw van "gaskamers", hoewel bekend was dat hij daarbij betrokken was geweest.
Zelf had hij het na de oorlog te gevaarlijk gevonden erover te beginnen, maar nu hij 90 jaar was geworden, elk ogenblik aan ernstige hartklachten kon bezwijken en het aantal getuigen steeds kleiner werd, meende hij dat de tijd was gekomen de waarheid openbaar te maken.
Hij verzocht zijn verklaring na zijn dood openbaar te maken, hetgeen in 2000 geschiedde.

"Geen gaten, geen holocaust"

De verklaring van Walter Schreiber raakt terloops één van de zwakheden van de gaskamertheorie, namelijk de veronderstelde tweemaal vier gaten in het dak van de "gaskamers" in de Crematoria II en III. Is de afwezigheid van blauwzuursporen al een onverklaarbaar JHV fenomeen, ook de afwezigheid van inwerpgaten in de betonnen plafonds van de ondergrondse kelders sluit de veronderstelde vergassingen uit. Immers, de enige manier waarop Zyklon-B in de ruimten gebracht kon worden was via het (gewapend betonnen) dak.

Noch in de getoonde "gaskamer", noch in de overblijfselen van het dak van de andere zijn gaten of sporen daarvan aanwezig. In het vernielde dak zijn weliswaar twee ruw uitgebroken gaten zichtbaar, maar die zijn na de oorlog aangebracht. Ze bevinden zich op de verkeerde plaatsen en zijn zo onregelmatig dat het betonijzer daarin zelfs nog aanwezig is. (Zie Rudolf Report, hoofdstuk 5.4.1.2.8, Afb. 44 en 46).
Waar de gaten zich zouden hebben moeten bevinden is bekend doordat getuigen verklaarden dat Zyklon-B door draadijzeren kokers die tegen de steunpilaren van de ruimte stonden naar beneden werd gegooid.
Noch het aantal, noch de plaats, noch de vorm van de twee aangetroffen beschadigingen ("gaten") komt daarmee echter overeen.

Het niet aanwezig zijn van inwerpgaten betekende dat geen Zyklon-B in de "gaskamers" kon worden gebracht, maar ook dat belangrijk geachte getuigenverklaringen niet serieus kunnen worden genomen.

Op een in 1978 door de CIA vrijgegeven onduidelijke luchtfoto van beide "gaskamers" zijn niettemin vier objecten zichtbaar die voor de beruchte inwerpgaten moeten doorgaan. Duidelijk is echter dat het hierbij om een flagrante vervalsing gaat. John Clive Ball, een Amerikaans fotobeoordelingsexpert heeft aan de hand van tal van kenmerken aangetoond dat deze "objecten" later op de foto werden ingetekend. Zo is de plaats van de "objecten" niet in overeenstemming met de plaats van de pilaren, niet met die van de later aangebrachte gaten en is er op de plaatsen van de "foto" in werkelijkheid geen spoor van gaten in de plafonds te vinden. Daarbij vallen de "schaduwen" van deze "objecten" vergeleken met die van de schoorstenen van de Crematoria in de verkeerde richting.....

De Franse revisionist professor Robert Faurisson vatte de ongeloofwaardigheid van "gaskamers" door het ontbreken van gaten (of sporen daarvan) in vier woorden samen: "Geen gaten, geen holocaust".

Uitstekend geïllustreerde documentatie over deze falsificatie en andere luchtfotografische aspecten van de Joodse Holocaust Versie vindt u op www.air-photo.com/english/

 

31. DESKUNDIGENRAPPORTEN ZEGGEN: GEEN "GASKAMERS"

In de zestig jaar na de veronderstelde miljoenenmoord is er geen spoor van forensisch bewijs voor 'vergassingen' geleverd. Nooit is door een onafhankelijke wetenschappelijke commissie onderzoek gedaan naar die "gaskamers".

Van de honderdduizenden boeken, documentaires, artikelen, enz. over de Joodse Holocaust Versie, is er niet één gewijd aan "gaskamers". Wel talloze die het woord "gaskamers" in de titel hebben, maar dat is misleidend, omdat elke concrete beschrijving van die "gaskamers", laat staan concreet bewijs, totaal ontbreekt.

Merkwaardig, want zonder "gaskamers" kan er immers geen Joodse Holocaust Versie zijn geweest?

Ik geef hier de bevindingen van onderzoeken naar "gaskamers" welke door Leuchter, Lüftl en Rudolf werden uitgevoerd. Opgemerkt zij dat deze onderzoekers bij het begin van hun onderzoeken geen revisionisten waren. Zij werden dat pas nadat ze hun onderzoeken hadden afgerond.

Hun onderzoeken waren de eersten en enige naar forensische feiten over "gaskamers"; de kern van hun bevindingen werd nooit steekhoudend weerlegd.
Natuurlijk heeft de holocaustpromotie alle soorten van kritiek op hun bevindingen geuit en vooral op de persoon van de onderzoekers. Daarom eerst iets over revisionisten en hun beweegredenen.

"Holocaust-ontkenners"

Ik ga niet in op de vele smerige aanvallen en politieke vervolging waaraan revisionisten blootstonden en nog steeds blootstaan. Ook niet op de frauduleuze en valse methoden waarmee is geprobeerd hun bevindingen weg te redeneren.
Die wijzen slechts op het onthutsende gebrek aan bewijzen en argumenten van de holocaustpromotie, die er alles aan doet het hoognodige debat over de Joodse Holocaust Versie te torpederen.

Op de vele onwaarheden over revisionisten kan men het volgende antwoorden:

- Revisionisten ontkennen niet de vervolging, deportatie en genocide van Joden (en anderen) gepleegd door de nazi's (zie ook de lijst "nooit ontkende gebeurtenissen" onder punt 1 van deze bijdragereeks).

- Revisionisten zeggen niet dat er "nooit Joden zijn vermoord tijdens WO II".

- Revisionisten hebben geen politieke agenda (onder hen bevinden zich socialisten, pacifisten, nationalisten, liberalen, Joden, intellectuelen, a-politieke mensen, enz. Dat relatief velen van hen in rechtse of extreem-rechts genoemde kringen publiceren komt omdat zij in de reguliere media en andere gremia niet aan het woord komen.

- Revisionisten zijn merendeels intellectuelen, academici en wetenschappers. Hun bevindingen, beweringen en feiten zijn gebaseerd op wetenschappelijke methoden.

Bekende namen zijn Prof. Paul Rassinier, Carlo Mattogno, Jürgen Graf, David Irving, Richard Krege, Siegfried Verbeke, Friedrich Paul Berg, Victor Ostrovsky, Bradley Smith, Ingrid Weckert, Serge Thion, Ernst Zündel, Prof. Mark Weber, enz.

De volgende academici treft men aan in de lijst van medewerkers van het revisionistische tijdschrift The Revisionist:

Dr. Alfred Ardelt, Dr. Bettina Brockhorst, Prof. Dr. Arthur R. Butz, Dr. Bertrand Clair, Dr. Robert H. Countess, Prof. Dr. Gottfried Dietze, Dr. Myroslaw Dragan, Prof. Dr. Robert Faurisson, Dr. Hansjürgen Fresenius, Dipl.-Ing. Wolfgang Fröhlich, Dipl.-Ing. Michael Gärtner, Dipl.-Ing. Manfred Gerner, Dr. Ekkehart Guhr, Dr. Joel S. A. Hayward, Dr. Joachim Hoffmann, Dr. Otto Humm, Dr. Alexander Jacob, Prof. Dr. Bent Jensen, Dr. Robert John, Dr. Wolfgang Lambrecht, Dipl.-Ing. Hans Lamker, Dipl. Ing. Fred Leuchter, Dr. Christian Lindtner, Dr. Ir. Walter Lüftl, Dr.-Ing. Otward Müller, Dr. Carl. O. Nordling, Dr. Ing. Hans Jürgen Nowak, Dr. Jozef Pawlikowski, Dr. Hans Pedersen, Dipl.-Ing. Werner Rademacher, Dr. Ingrid Rimland, Dr. Ysmael Rubinstein, Dipl.-Chem. Dr. Germar Rudolf, Dr. Thomas Ryder, Dipl.-Ing. Gottfried Sänger, Dr. Alfred Schickel, Prof. Emil Schlee, Prof. Dr. Karl Siegert, Dr. Virginia Steen-McIntyre, Dr. Gerhard Sommer, Dr. Fredrick Töben, Dipl.-Ing. Jörg Wartenburg,

- Doel van de revisionisten is het bevorderen van waarheid en gerechtigheid over belangrijke historische gebeurtenissen, waaronder "de holocaust". Dat brengt hen in conflict met machtige belangengroepen die, onder andere door hard "antisemieten" en "extreem-rechts" te schreeuwen, bewijzen vijanden te zijn van historische waarheid, van vrije wetenschapsbeoefening en vrije meningsuiting.

- Revisionisten bestrijden de Joodse Holocaust Versie. Die zegt dat er een plan voor systematische uitroeiing van de Europese Joden bestond waarbij gaskamers voor homocide werden gebruikt en zes miljoen Joden zijn omgebracht

- Van revisionisten heeft men niets te vrezen; alleen de waarheid. Zij stellen zich onveranderlijk correct en zakelijk op en argumenteren volgens wetenschappelijke maatstaven met respect voor hun opponenten. Zij oefenen tegen niemand terreur uit en wijzen elke vorm van geweld af. Hun wapens zijn de feiten. Het "gevaar" dat zij vertegenwoordigen bestaat erin dat zij gefundeerd aantonen dat de meest satanische onderdelen van de JHV, gaskamers en massamoord op zes miljoen Joden, haaks op de werkelijkheid staan.

- Revisionisten gebruiken NOOIT geweld, haat, intimidatie, beledigingen of leugens; dat komt uitsluitend van hun tegenstanders, de georganiseerd 'links-joodse', zogenaamd antifascistische aanhang. Dat zijn de wapenen van hen die geen steekhoudende argumenten hebben.

- Revisionisten noemen zichzelf nooit "holocaust-ontkenners". Dat is een bewust geïntroduceerd leugenwoord, bedoeld om haat te genereren. Revisionisten niet bij de naam noemen, maar bewust een leugenachtige stigmatiserende term gebruiken is een kenmerk van haat. Vergelijk dat met Christenen die Joden "Christus-ontkenners" zouden noemen. Dat zou trouwens geen leugen zijn, maar niettemin een abject van haat getuigend stigma.

Tot zover over revisionisten, moedige en eerlijke wetenschappers, die tegen het Monster van de Publieke Opinie in feiten over "de holocaust" openbaar maken welke de filosemitische media het publiek stelselmatig onthouden.

Het Leuchter Rapport

Het Leuchter Rapport uit 1988 was de eerste forensische verslaglegging over veronderstelde gaskamers. Leuchter was een onafhankelijk Amerikaans gaskamerspecialist zonder politieke of revisionistische achtergrond. Op verzoek van de verdediging bij het Canadese Zündel-proces onderzocht hij de ruimtelijke, bouwkundige en fysische aspecten van de als gaskamers aangeduide ruimten in Auschwitz-Birkenau en Majdanek, en nam ook monsters voor chemische analyse.
De resultaten van zijn onderzoek waren sensationeel en ondersteunden de overtuiging dat de joodse versie van de holocaust op z'n minst vatbaar was voor twijfels.

Doel van het onderzoek was vast te stellen of de betreffende gaskamers hebben kunnen functioneren zoals de holocaustliteratuur vermeldt. De belangrijkste conclusies waren:
· Er bestaan geen forensische aanwijzingen dat een van de als executiegaskamer aangeduide plaatsen ooit als zodanig werd gebruikt.
· Alle 31 op aanwezigheid van chemische resten van blauwzuur onderzochte monsters van representatieve plaatsen op (restanten van) wanden en plafonds leverden negatieve meetresultaten op; monsters, met hoeveelheden net boven de meettolerantie zijn vergelijkbaar met die van gewone barakken in Auschwitz.
· De meetwaarden van de veronderstelde gaskamers schommelden tussen 0 ­ 7,9 mg/kg; een monster uit een Zyklon-B ontluizingsruimte bevatte 1050 mg/kg, ofwel 1.000- 130 x hoger.
· Geen van de ruimten werd ontworpen of gebouwd als executiegaskamer.
· Er waren geen gasdichte deuren, ramen of ventilatiegaten.
· Wanden en plafonds waren niet voorzien van coatings om opname van gecondenseerd blauwzuur tegen te gaan; deze zouden jarenlang levensgevaarlijk zijn gebleven.
· Krema I lag naast het ziekenhuis; de riolering stond in open verbinding met de rest van het kamp, waardoor gas zou kunnen doordringen in alle andere gebouwen van het complex.
· De aangrenzend gesitueerde crematie-ovens boden een potentieel explosiegevaar.
· Er waren geen voorzieningen om gas na gebruik af te voeren.
· Er waren geen systemen voor inbreng, voorverhitting of verdamping van gas.
· Er waren geen systemen voor verspreiding van het gas in de ruimte.
· De ruimten waren vochtig en onverwarmd; vocht en Zyklon-B gaan niet samen.
· In de volgepakte ruimten kon het gas niet circuleren en zou daardoor niet effectief zijn.
· De ruimten waren te klein om de beweerde aantallen mensen te kunnen bevatten.
· Alle deuren gingen naar binnen open, waardoor het verwijderen van opeengepakte lijken nagenoeg onmogelijk was.
· Geen van de ruimten was (zoals de ontluizingruimten) ontworpen voor langdurig veilig gebruik.
· Qua ontwerp en uitvoering kunnen deze faciliteiten niet als executiegaskamers zijn gebruikt.
· Na onderzoek van het beschikbare materiaal en onderzoek op alle plaatsen in Auschwitz, Birkenau en Majdanek acht de onderzoeker de hoeveelheid bewijzen overweldigend: er waren geen executiegaskamers op deze locaties. Het is zijn vaste overtuiging dat de veronderstelde gaskamers op de geïnspecteerde plaatsen, toen niet en nu niet, serieus geacht kunnen worden te zijn gebruikt als executiegaskamers.
Het Leuchter Report is te vinden op www.ihr.org/books/leuchter Een Nederlandse vertaling op http://vho.org/NL/b/hlr1/

 

Het Rudolf Rapport

Leuchter's historische onderzoek was sensationeel, maar clandestien uitgevoerd onder moeilijke omstandigheden in het destijds communistische Polen. Bovendien was Leuchter een gaskamerspecialist, geen chemicus. Het bevatte daardoor uit chemisch oogpunt enkele onnauwkeurigheden en omissies. Er kwam dan ook van alle kanten kritiek, zinnig en onzinnig.

De belangrijkste kritiek was afkomstig van het Pools Forensisch Instituut in Krakow, bedoeld om Leuchter's resultaten te weerleggen. Volstaan kan hier worden te vermelden dat in tegenstelling tot wat werd verwacht, Leuchter's meetresultaten door het Poolse onderzoek werden bevestigd. Niettemin zaaide het Instituut twijfel over de waarde van zijn bevindingen.

De Duitse chemicus Germar Rudolf, werkzaam aan zijn doctoraalscriptie in de Chemie bij het bekende Max Planck Instituut, besloot daarop de veronderstelde gaskamers van Auschwitz aan professioneel en wetenschappelijk verantwoord chemisch onderzoek te onderwerpen. Hij had kennis genomen van het Leuchter Rapport en de kritiek daarop en wilde langs objectief wetenschappelijke weg de waarheid over het al dan niet gebruik van Zyklon-B voor massavergassingen in deze ruimten vaststellen.

Rudolf's onderzoek is het hoogtepunt van alle uitgevoerde "onderzoeken". Het is wetenschappelijk en methodologisch van hoog niveau en zijn bevindingen zijn dan ook nooit steekhoudend weerlegd.
Hoewel het zwaartepunt betrekking heeft op de chemische vraagstukken van de veronderstelde vergassingsruimten, behandelt het ook aanverwante onderwerpen.

De belangrijkste conclusies zijn:
· De betreffende ruimten hadden geen voorzieningen om penetratie van blauwzuur in wanden, vloeren en plafonds te voorkomen, waardoor deze grote hoeveelheden van deze dodelijke stof zouden absorberen.
· De ruimten hadden geen ontsnappingsvrije deuren en ramen.
· Er waren geen paniekbestendige voorzieningen.
· Geen gasdichte deuren en afsluiters.
· Geen voorzieningen om gifgas in te brengen en te verspreiden.
· Geen voorzieningen om gifgas af te voeren of onschadelijk te maken.
· Aangezien er ook geen documentaire aanwijzingen zijn voor crimineel gebruik van deze ruimten, is er geen geloofwaardig bewijs of crimineel spoor die het bestaan van homocide "gaskamers" in Auschwitz ondersteunt.
Over de chemisch-technische aspecten van de veronderstelde gaskamers stelde Dr. Rudolf vast: "De cyanidewaarden van de veronderstelde "gaskamers" liggen in de orde van grootte van de resultaten van de monsters door mij genomen in andere gebouwen (hetelucht ontsmettingsruimte Gebouw 5a, gevangenenbarakken en wasruimte Krema I)."
Het Rudolf Report is te vinden op www.vho.org/GB/Books/trr

Het Lüftl Rapport

Walter Lüftl, een vooraanstaand Oostenrijks Ingenieur publiceerde in 1992 een rapport getiteld "Holocaust: Geloof en Feiten". Daarin gaf hij aan dat de claims van massavernietiging in Auschwitz en Mauthausen, en beweerde vergassingen met Dieseluitlaatgas in andere kampen natuurkundig onmogelijk zijn.
· Onaannemelijk is dat dagelijkse vergassingen van 10-12.000 Joden in Auschwitz van Joden uit heel Europa kunnen zijn uitgevoerd zonder dat immense organisatorische problemen op het gebied van transport, onderdak, voeding, etc. zouden plaatsvinden. Op het moment dat bijv. crematoria uitvielen (hetgeen meer regel dan uitzondering was) zouden er onmiddellijk enorme huisvestings- en voedingsproblemen ontstaan.
· De fabrieken waar Zyklon-B werd geproduceerd werden begin 1944 totaal verwoest. Alleen daardoor is onmogelijk dat na de zomer van dat jaar vergassingen met Zyklon-B werden uitgevoerd.
· Verstrekking van handdoeken en zeep was absurd. Wie gaat onder een douche met een handdoek? Bovendien werden volgens getuigenissen 5-25 mensen per m? in de ruimten geperst; hoe wilde de SS de illusie van zich inzepen in een bad handhaven?
· Na de veronderstelde vergassing moest het gas ­ voor zover niet gecondenseerd ­ worden afgezogen. De deur moest daarbij uiteraard hermetisch gesloten blijven om te voorkomen dat het gas zich in de rest van het gebouw verspreidde. Afzuigen met gesloten deuren kan alleen als ook verse lucht wordt ingebracht. Noch voor het een, noch voor het ander zijn ooit in de betreffende ruimte voorzieningen aangetroffen.
· Deze procedure is om minstens nog een reden onmogelijk: het Zyklon-B zelf! Dat bereikt pas na de veronderstelde vergassing haar hoogste verdampingsgraad; het bezit dan nog 92% van haar werkingscapaciteit en gaat ondanks eventuele afzuiging nog vele uren door met het afgeven van gas.
· Ontgassen van de ruimte was door de optimaal voortschrijdende gasafgifte van het Zyklon-B onmogelijk, c.q. eerst na zeer lange tijd mogelijk. Bovendien zou een belangrijk deel van het gif ­ dat bij huidcontact dodelijk is ­ aanwezig zijn in uitwerpselen, braaksel, enz. Vergassen op industriële schaal, zoals gesteld voor Auschwitz ­ moet ook al om die reden uitgesloten worden geacht.
· Volgens de joodse versie van de holocaust zouden de meeste vergassingsslachtoffers zijn gestorven na vergassing met Dieseluitlaatgassen van onderzeebootmotoren en motoren van buitgemaakte Russische tanks. Wetenschappelijk en empirisch staat echter vast dat met Dieseluitlaatgassen geen mensen kunnen worden gedood.
· Verhalen over vlammen uit schoorstenen van crematoria zijn om meerdere redenen absolute onzin; crematoriumschoorstenen vlammen niet, roken niet en ruiken niet, punt.
· Conclusie Ir. Lüftl: vergassingen met Zyklon-B en Dieseluitlaatgassen zoals gemeld door de JHV kunnen niet hebben plaatsgevonden; ze zijn natuurkundig onmogelijk omdat de noodzakelijke organisatorische en technische voorzieningen ontbraken.
· "Rechters en historici moeten de correcte conclusie trekken: een hele generatie "contemporaine historici" ziet zich gesteld op de puinhopen van hun wereldbeeld, zoals hedendaagse Marxisten op de puinhopen van hun Marxistische ideologie."
Het Lüftl Report is te vinden op http://www.ihr.org/jhr/v12/v12p391_Luftl.html

Bij al deze rapporten hebben we een veelheid van feiten en argumenten gezien welke stuk voor stuk de industriële massamoord middels "vergassingen" zoals uitgedragen door de holocaustpromotie als onmogelijk bestempelen.
Hoewel door de holocaustpromotie natuurlijk wordt getracht deze te weerleggen, is dat wetenschappelijk geenszins gelukt.

Daarom worden revisionisten niet bestreden met feiten en argumenten, maar met leugens, demonisering, vervolging, laster en terreur.

De indrukwekkende reeks natuurkundige en wetenschappelijke feiten die de joodse holocaust versie tot een onmogelijkheid bestempelt kan met vele, vele andere worden aangevuld. Bijvoorbeeld verklaringen van vooraanstaande deskundigen op het gebied van de vervaardiging en toepassing van blauwzuur of door te wijzen op de idiote routing van potentiële slachtoffers en lijken door de gebouwen waarin de "vergassingen" zouden hebben plaatsgevonden. Of op de mogelijkheid complete, kant-en-klaar beschikbare systemen te gebruiken waarmee voor en tijdens de oorlog hele spoortreinen met Zyklon-B veilig en efficiënt werden ontsmet, zonder getuigen, zonder de talloze genoemde problemen van de "gaskamers" en zonder dat daarvoor gevangenen door heel Europa behoefden te worden getransporteerd.

Het zou gewoon te ver voeren daarop in te gaan. In volgende bijdragen behandel ik de situatie met betrekking tot de "verdwijning" van miljoenen lijken en de (on)mogelijkheden van de crematoria in de concentratiekampen.

Aansluitend op de hiervoor behandelde "gaskamers" nog iets over de laatste propaganda daarover. Een recente, in het kader van de "60 jaar holocaust" vervaardigde serie propagandafilms uitgezonden o.m. op Discovery Channel, wil de gaskamertheorie nieuw leven inblazen door aan te sluiten op een van de "criminele sporen" van holocausthistoricus Pressac. Die zegt dat op tekeningen van de Crematoria II en III de glijbaan van de begane grond naar de lijkenkelder werd vervangen door een trap aan de andere zijde van het gebouw. De holocaustindustrie legt dat uit als een belangrijk "bewijs" voor "gaskamers" en "vergassingen". De lijkenkelders zouden zijn verbouwd tot gaskamers en daarbij was een glijbaan voor te cremeren lijken niet langer nodig; bij vergassingen konden de lijken (te cremeren mensen) immers zelf de trap aflopen alvorens te worden vergast en gecremeerd... Aldus verkondigt de holocaustindustrie.

Dit is echter een flagrante onwaarheid, bedoeld om de gaskamertheorie levend te houden: de gecombineerde trap/glijbanen werden namelijk niet vervangen maar aan de andere zijde van beide gebouwen werd een trap aangebracht, waardoor de kelders ook vanaf de straatzijde bereikbaar werden en niet alleen maar via de gecombineerde trap/glijbaan aan de zijkant.
Het bewijs voor het wel degelijk bestaan van deze glijbanen levert een rapportage van het particuliere Bouwbedrijf Huta van 7 mei 1943, getiteld "Ausgeführte Bauarbeiten des Krematorium" etc. Daarin wordt de bouw van deze glijbanen beschreven en ook de factuur daarvoor (13 juli 1942) ten bedrage van 37.400 Reichsmark.

 
32. GEEN SPOREN (AS- OF BOTRESTEN) VAN MILJOENEN LIJKEN

In de criminologie geldt: "zonder lijk is er geen bewijs voor moord"! Echter, ook deze logica is wederom niet van toepassing op de Joodse Holocaust Versie.
We hebben gezien dat voor veronderstelde fabrieksmatige miljoenenmoord in "vernietigingskampen" geen forensische bewijzen van o.m. het veronderstelde moordwapen ("gaskamers") bestaan. Daarentegen zijn er talloze aanwijzingen die dat onmogelijk maken:
· Geen cyanidesporen
· Geen bouwtekeningen van "gaskamers"
· Geen aanwijzingen in de intact gebleven Auschwitz-administratie van "gaskamers" of "vergassingen"
· Geen faciliteiten om de lijkenkelders als "gaskamers" te kunnen gebruiken
· Een schizofreen "vergassingsmiddel", het insecticide Zyklon-B
· De onmogelijkheid met Dieseluitlaatgas mensen te vermoorden
· Het nooit naar voren gebracht zijn van één lijk waarvan is vastgesteld dat deze door vergassing om het leven kwam.

Het enige wat de holocaustpromotie sinds heeft geleverd zijn indirecte documenten, veelal in "codetaal" en verhalen van overlevenden en gevangengenomen nazi's, waarvan is vast komen te staan dat die in veel gevallen onmogelijk, overdreven, tegenstrijdig of zelfs gefantaseerd zijn.

De indrukwekkende lijst forensische aanwijzingen die de onmogelijkheid van de Joodse Holocaust Versie aantoont, kan ook nog door omstandigheden van andere aard worden ondersteund. Want niet alleen ontbreekt vrijwel alles wat "vergassingen" en "gaskamers" mogelijk zou hebben gemaakt, ook ontbreekt elk traceerbaar spoor van miljoenen vermoorde mensen.

De JHV zegt daarover dat de as van miljoenen gecremeerden over akkers en in rivieren werd uitgestort: een zoveelste onbewezen bewering waaraan de joodse holocaust versie zo rijk is en die wij bij afwezigheid van bewijs dus maar moeten "geloven."

Indien er voor dat uitstrooien van menselijke as betrouwbare getuigen of documenten zouden zij geweest, hadden de plaatsen waar dat plaatsvond nauwkeurig onderzocht kunnen worden. De holocaustpropaganda zou dan uiteraard niet nagelaten hebben de bewijzen daarvan breed en dramatisch in de publiciteit uit te meten.
Nooit echter is zo'n plaats door iemand aangewezen, laat staan dat daarnaar enig onderzoek werd verricht. Waarom niet? Zijn de plaatsen waar de stoffelijke resten van miljoenen mensen zijn uitgestort dan niet van belang?

Let wel, het waren geen kleine beetjes as, maar alleen voor Auschwitz al elke dag 50-60 ton, 400 ton per week, ofwel 1.600 ton elke maand! Vaststaat immers dat na crematie van een lijk gemiddeld 5 kg. as (een schoenendoos vol) overblijft; alleen al voor Auschwitz met een officieel dodental van 1,5 miljoen is dat 5 x 1.500.000 = 7.500.000 kg (7.500 ton) menselijke as.
We spreken dan maar niet over nog eens een minstens zo grote hoeveelheid as en sintels afkomstig van de brandstof voor de crematoria (20 à 30 kg per lijk).
Onvoorstelbaar dat van uitstrooiingen op zo'n grote schaal geen sporen zouden zijn te vinden. Net zo onvoorstelbaar dat van zo'n massale dumping van menselijke as geen getuigen zijn te vinden.

"Maar alles werd toch in het diepste geheim uitgevoerd?" Volkomen onzin.
Auschwitz was op geen enkele wijze visueel afgeschermd van de buitenwereld. Iedereen kon ongehinderd van buiten naar binnen kijken en omgekeerd.
Akkers grensden rondom direct aan het kamp en Poolse boeren bewerkten daar dagelijks de velden. Zelfs de crematoria en de "gaskamers" waren van buitenaf met het blote oog waarneembaar; ook overlevenden verklaarden dat zij de "gaskamers" konden zien (Mermelstein).
Ook gingen dagelijks duizenden mensen, arbeiders, leveranciers, enz. het kamp in en uit. Er moeten duizenden mensen in en buiten Auschwitz zijn geweest die precies hebben kunnen vaststellen wat er met die enorme dagelijkse hoeveelheden as gebeurde en waar dat werd gedumpt.

Het is volstrekt onaannemelijk dat mensen in de nabije omgeving niet zouden hebben kunnen waarnemen wat voor soort "as" het was dat dagelijks werd getransporteerd en verspreid. Maar, niets van dat alles....... Is deze merkwaardige omissie wellicht een van de reden waarom wij nooit interviews te zien kregen met bewoners uit de omgeving van Auschwitz? Of is dat omdat, zoals bekend is, vrijwel alle Poolse burgers uit de streek "Auschwitz-ontkenners" zijn?

Van 1,5 miljoen mensen (over 4 miljoen praten we niet meer), of ze nu gecremeerd, verbrand of begraven zijn, moeten theoretisch zo'n 40-50 miljoen tanden en kiezen zijn overgebleven. Ook daarvan is - men is geneigd te zeggen, natuurlijk - nooit ook maar iets gevonden.

De holocaust-literatuur vermeldt dat de as "in rivieren, moerassen en als mest over akkers werd gestrooid", vage vermeldingen die er toe moeten leiden dat iedereen wel zal aannemen dat daarvan geen spoor meer is terug te vinden. Mis.

Archeologen kunnen tegenwoordig immers feilloos asresten van een paar mensen van 5.000 jaar geleden vinden; zij zijn zeker ook in staat om asresten van miljoenen mensen die 60 jaar geleden werden verbrand te traceren. Maar dan moet natuurlijk de wil om dergelijk onderzoek te doen aanwezig zijn en dan moeten die veronderstelde miljoenen lijken ook daadwerkelijk zijn verbrand.

Geen getuigen, geen asresten, geen botresten, geen tientallen miljoenen tanden en kiezen, geen onderzoek. Slechts verhalen over het verbranden van miljoenen lijken en een verplicht "geloof" daarin.

 
33. CREMATIE-OVENS EN "VERGASSINGEN" NIET SYNONIEM

Als het over "vergassingen", "massamoord", "gaskamers" of "vernietigingskampen" gaat, toont de holocaustpropaganda bij voorkeur foto's van crematie-ovens in een voormalig concentratiekamp. Die moeten "gaskamers" en "vergassingen" bewijzen, want enig ander bewijs wordt nooit getoond.
Die zwart-wit beelden zijn inmiddels als synoniem voor "gaskamers" in het publieke bewustzijn gegrift. Zodanig zelfs dat men zich niet eens meer realiseert dat een crematoriumoven geen gaskamer is.

Crematoria waren in de Duitse kampen al in 1938 om hygiënische redenen wettelijk verplicht. Het was een van de vele maatregelen waarmee het nieuwe regime de volksgezondheid en het welzijn in het land op een hoger peil wenste te brengen. Andere maatregelen in dat kader waren de aanleg van sportvelden, vakantiefaciliteiten voor arbeiders, de "Volkswagen", het oprichten van ziekenfondsen, enz., enz.
Alle Duitse kampen met meer dan een bepaald aantal ingezetenen moesten vanaf dat jaar een crematorium hebben.

Ook het Nederlandse kamp Westerbork, waar niet werd "vergast", had vanaf 15 maart 1943 een crematorium, waarin in dat jaar bijna 600 kampoverledenen werden gecremeerd (Crematoriumboek Westerbork, Rapport over de sterfte in het kamp Westerbork, RIOD).

De capaciteit van de crematoria (aantal ovens) was uiteraard afgestemd op de omvang van het kamp en de te verwachten sterfte. Bij de uitbreiding van Auschwitz in 1942 werd rekening gehouden met een groei tot 250.000 gevangenen, de omvang van een grote stad.
Alle crematoria in Auschwitz en andere kampen waren van het civiele model, dus met een capaciteit van één lijk per verbrandingskamer. Alleen dat feit al sluit uit dat "op systematische en geplande wijze miljoenen mensen werden vermoord". Het is immers krankzinnig om voor de verbranding van miljoenen lijken (volgens de JHV 10-12.000 per dag!) ovens van het civiele type te gebruiken!

De holocaustindustrie realiseert zich thans dat crematie van miljoenen lijken in de kampcrematoria niet langer staande kan worden gehouden. Daarom wordt gewezen op verbrandingsputten in de open lucht waar eveneens massaal "vergasten" zouden zijn verbrand.
Hoewel vaststaat dat in bepaalde situaties ­ zoals bij de massale sterfte aan de tyfus-epidemie in 1942, op het hoogtepunt waarvan in Auschwitz 500 mensen per dag stierven ­ ook in de open lucht mensen werden verbrand, zijn er geen bewijzen of sporen van voortdurende verbrandingen in de open lucht.

Geen archeologische sporen, geen sporen van massale verbrandingsplaatsen, geen sporen op luchtfoto's, kortom geen forensische sporen van het verbranden van honderdduizenden mensen..

 
34. CREMATIECAPACITEIT AUSCHWITZ VOLSTREKT ONTOEREIKEND

Naast de talloze wonderen van de Joodse Holocaust Versie, zoals insecticide als "gifgas", in alle opzichten totaal ongeschikte "gaskamers" zonder zelfs een mogelijkheid om "gas" in te brengen of af te voeren en onverklaarbaar onvindbare cyanidesporen, onschadelijke Dieseluitlaatgassen waarmee niettemin miljoenen mensen zouden zijn "vergast", de onvindbaarheid van stoffelijke resten van miljoenen vergaste mensen, ontbrekende forensische bewijzen en/of documenten voor deze veronderstelde systematisch geplande en uitgevoerde miljoenenmoord, behoren ook de faciliteiten waarmee meer dan een miljoen lijken zouden zijn verbrand tot de natuurwetenschappelijke JHV-onmogelijkheden waarin we verplicht moeten geloven, nee, waaraan zelfs niet mag worden getwijfeld.

In Auschwitz en andere Duitse gevangenenkampen bestonden crematoria. In Auschwitz was dat behalve om hygiënische, ook om praktische redenen. In en rond Auschwitz kon nauwelijks worden begraven omdat het in een moerasgebied lag met een hoog grondwaterpeil: 120-30 cm onder de oppervlakte met in de nabijheid de rivieren de Vistula en de Sola en op de lager gelegen plaatsen talloze meren en vennen. In de winter was begraven vanwege vorst vrijwel onmogelijk. Ook uit volksgezondheidsoogpunt was begraven onverantwoord. Het gebied was waterwingebied en begraven kon het grondwater besmetten.

Het hoofdkamp Auschwitz I had daarom vanaf het begin van haar bestaan een crematorium (Krema I) waarvan de capaciteit was afgestemd op normale sterfte onder de gevangenen. Het werd geleidelijk uitgebreid tot 3 ovens met elk 2 verbrandingskamers, 6 in totaal. De (theoretische!) capaciteit kwam daarmee op 72 crematies per dag bij ca. 20.000 kampingezetenen.
Omdat steeds de relatie wordt gelegd tussen crematiecapaciteit en aantallen vermoorde Joden, ga ik hier verder op de crematiecapaciteit in.

Aanvankelijk was voor Birkenau één nieuw crematorium met 15 verbrandingskamers gepland (Krema II) die Krema I in het basiskamp moest vervangen. Zoals o.m. blijkt uit een uitvoerige studie van de revisionistische onderzoekers C. Mattogno en Dr. Ing. F. Deana (The Crematoria Ovens of Auschwitz and Birkenau) noodzaakten belangrijke ontwikkelingen in 1942 echter tot forse uitbreiding van die capaciteit.
In de eerste plaats werd bij Himmler's bezoek aan het kamp op 17 en 18 juli van dat jaar besloten dat Auschwitz een belangrijker rol in de oorlogsindustrie zou gaan spelen, o.m. om aan de groeiende Russische dreiging het hoofd te kunnen bieden. Het moest faciliteiten gaan bieden voor 200-250.000 gevangenen. In de tweede plaats was door opeenvolgende zware tyfusepidemiëen de sterfte onder de gevangenen dramatisch opgelopen.

In augustus 1942 leed het kamp onder de zwaarste epidemie uit haar geschiedenis. Volgens de Sterbebücher von Auschwitz (Saur, München 1995) stierven er alleen in die maand 8.600 gevangenen aan de gevolgen van deze ziekte. (Niet zo vreemd dus dat in het kamp op grote schaal het enige effectieve middel tegen deze ziekte werd gebruikt: Zyklon-B). Tot 19 augustus stierven 4.113 kampingezetenen aan tyfus, gemiddeld 216 per dag. Tussen 14 en 19 augustus bedroeg de sterfte zelfs 2.400, gemiddeld 400 per dag. Het maximum werd op 19 augustus 1942 bereikt met meer dan 500.
De gemiddelde bezetting van het kamp bedroeg toen slechts 22.900. Als reeds bij zo'n relatief kleine bezetting 500 sterfgevallen per dag mogelijk waren, hoeveel doden zou een epidemie dan bij de vastgestelde grootte van 200.000 gevangenen vergen?

De nieuwe crematiecapaciteit werd daarom afgesteld op de geplande aanzienlijke toename van het aantal gevangenen en het ondanks de vele voorzorgsmaatregelen optreden van epidemische calamiteiten. Met het oog daarop, maar ook vanwege de al bestaande noodsituatie, kreeg de bouw van nieuwe crematoria de grootste prioriteit.
Er werden er op het enorme terrein van Birkenau vier gebouwd: de Krema's II t/m V. II en III spiegelbeeldig bij elkaar met elk 5 ovens van 3 verbrandingskamers, in totaal 30.
De Krema's IV en V waren van een geheel ander model, maar eveneens spiegelbeeldig met elk 4 ovens van 2 verbrandingskamers, in totaal 16.
Voor heel Auschwitz (afgezien van het buiten bedrijf te stellen crematorium in het hoofdkamp) totaal 46 verbrandingskamers.

De capaciteit voor het cremeren van een verondersteld aantal lijken binnen een gegeven tijdsbestek is relatief eenvoudig te berekenen. Ze is grotendeels onderworpen aan natuurkundige en pyrotechnische wetten en die zijn ­ wat de holocaustindustrie ons ook wil laten geloven ­ zelfs voor nationaal-socialistische crematoria gelijk aan die van alle andere in de wereld.

Voor het berekenen van de crematiecapaciteit zijn de volgende parameters van belang:
- aantal verbrandingskamers
- operationele beschikbaarheid in dagen
- aantal effectieve uren bedrijfstijd per dag
- benodigde verbrandingstijd per crematie

 
35. CIVIELE CREMATIE-OVENS

Zoals eerder aangegeven waren de crematoria in de Duitse concentratiekampen van het civiele model die ook werden gebruikt voor particuliere crematies in de Duitse steden. Op zichzelf is dit een belangrijke aanwijzing dat ze niet waren ontworpen als cruciaal onderdeel in een systeem voor miljoenenmoord.

Immers, is het voorstelbaar dat voor de beoogde verbranding van slachtoffers van miljoenvoudige moord civiele crematie-ovens met enkelvoudige verbrandingskamers werden gebouwd? En dat de auctores intellectuales van zo'n massamoord-met-voorbedachte-rade niet zouden hebben voorzien dat die verbrandingstechniek daarvoor belachelijk ontoereikend, ja volkomen schizofreen was?

De verbrandingstijd voor crematie bedraagt - afhankelijk van variabelen als het type oven, de gebruikte brandstof (olie, gas, cokes) en het te verassen gewicht - tussen 35 minuten en 1,5 uur .
Het destijds modernste type oven van het merk Ignis-Hüttenbau ­ alleen in het modelkamp Theresiënstadt aanwezig ­ had vanwege de speciale constructie de kortste crematietijd: minimaal 35 minuten. Dat kwam o.a. omdat in die (grotere) oliegestookte ovens een volgend lijk kon worden geschoven waarbij het eerste in halfverbrande vorm naar achteren werd doorgeschoven voor verdere verbranding.
Voor de ouderwetse enkelvoudige cokesgestookte ovens in Auschwitz was een gemiddelde verbrandingstijd van 60 minuten nog aan de snelle kant.
De crematietijd van 1 uur per lichaam in Auschwitz werd na de oorlog bevestigd door de ingenieurs Kurt Prüfer en Karl Schultze van leverancier Topf und Sohn. Tijdens een verhoor door de KGB op 4 maart 1946 verklaarde Schultz:

"Er waren vijf ovens in twee crematoria en in elke oven werden drie lichamen geplaatst (= 1 per verbrandingskamer), d.w.z. drie verbrandingskamers in elke oven. In één crematorium met vijf ovens (vijftien verbrandingskamers) kon men 15 lijken per uur verbranden."

Waardoor de crematietijd in Auschwitz relatief lang was gaf Ir. Prüfer in zijn verklaring van 5 maart 1946 aan:

"In civiele crematoria wordt met speciale blaasbalgen voorverhitte lucht ingebracht, waardoor de lichamen sneller verbranden zonder rookvorming. De concentratiekamp-crematoria waren anders geconstrueerd; de lucht kon niet worden voorverhit, waardoor de lichamen langzamer verbrandden en rook ontstond. Om rook en geur te verminderen werden ventilatoren toegepast."
Op de vraag hoeveel lichamen er per uur in een Auschwitz-crematorium werden vergast antwoordde hij: "In een crematorium met vijf ovens van drie verbrandingskamers (Krema's II en III) kon men vijftien lijken per uur cremeren."

De benodigde verbrandingstijd per lijk was dus gemiddeld 1 uur. Alle "berekeningen", aantallen of verhalen die zijn gebaseerd op kortere tijden zijn, zoals terzake deskundigen zullen beamen, misleidend.

 
36 MEER LIJKEN IN ÉÉN OVEN

Ook misleidend is het te doen alsof de crematiecapaciteit zou toenemen als er twee, drie of zelfs zeven(!) lichamen tegelijk in een verbrandingskamer worden geplaatst. Dat is onzin omdat de verbrandingstijd evenredig toeneemt met de te verbranden massa. Het is een truc om de capaciteit van kampcrematoria hoger voor te stellen dan ze in werkelijkheid was. Verbranden van twee lijken in één verbrandingskamer (als dat technisch al zou kunnen) vraagt ruwweg ook twee keer zoveel tijd.

Niet ondenkbaar is dat een baby of klein kind samen met een volwassene werd gecremeerd of twee sterk vermagerde tyfuspatiënten. Dat waren vermoedelijk uitzonderingen omdat de beperkte afmetingen van verbrandingskamers en ovendeuren en de extreme hitte die het openen van de deuren veroorzaakte dit verhinderden.

Ook met de operationele beschikbaarheid van de ovens kan aanzienlijk worden gesjoemeld en dat is dan ook veelvuldig toegepast om uit te komen op de veronderstelde miljoenenaantallen vergasten in Auschwitz.
Sovjet-staatszwendelaars "berekenden" in 1945 voor het Neurenberger Tribunaal het aantal in Auschwitz "vergaste" Joden door eenvoudig uit te gaan van het totale aantal verbrandingskamers over de bestaansperiode van het kamp, de halve verbrandingstijd en de effectieve bedrijfstijd te stellen op 24 uur per dag, 7 dagen per week. Geen wonder dat zij uitkwamen op het tot 1990 gecelebreerde fantastische aantal van "meer dan 4 miljoen vergasten" in Auschwitz. Dit groteske "Rapport" werd decennialang door nagenoeg alle bewierookte "holocaustdeskundigen", onder wie Hilberg, Klarsfeld, Pressac en Van Pelt als een gezaghebbende bron van informatie gebruikt....
Het door haat geinspireerde zwendelrapport stelt op grond van (uiteraard niet gecontroleerde) absurde "berekeningen" letterlijk het volgende over aantallen verbrande lijken in Auschwitz:

Krema I 9.000 per maand gedurende 24 maanden ( 216.000)
Krema II 90.000 per maand gedurende 19 maanden (1.710.000)
Krema III 90.000 per maand gedurende 18 maanden (1.620.000)
Krema IV 45.000 per maand gedurende 17 maanden ( 765.000)
Krema V 45.000 per maand gedurende 18 maanden ( 810.000)

De crematoriumcapaciteit bedroeg 279.000 lijken per maand, in totaal 5.121.000 over de gehele bestaansperiode.
Omdat de Duitsers ook grote aantallen lijken op stapels verbrandden, moeten de vernietigingsfaciliteiten in Auschwitz in feite nog groter zijn geweest dan deze cijfers suggereren. Ervan uitgaand dat de crematoria niet op volle capaciteit zouden hebben gewerkt, of een deel van de tijd wegens reparaties buiten bedrijf waren, berekende de Technische Commissie dat de Duitse beulen gedurende het bestaan van het Auschwitz kamp niet minder dan 4.000.000 burgers uit de USSR, Polen, Frankrijk, Joegoslavië, Tsjecho-Slowakije, Roemenië, Hongarije, Holland, België en andere landen hebben vermoord.

De absurditeit van deze "capaciteitsberekening" kan door elke niet-zwakbegaafde worden vastgesteld. Krema I had 6 verbrandingskamers, in elk waarvan per maand zogenaamd 1.500 lijken werden gecremeerd, ofwel 50 per verbrandingskamer per dag. Dat betekent dat dit crematorium gedurende haar volledige bestaansperiode onafgebroken 24 uur per dag in alle verbrandingskamers 2 lijken tegelijk per uur moest verbranden om aan deze capaciteit te komen. Hetzelfde zou ipso facto hebben gegolden voor alle crematoria in Auschwitz.
Totaal zouden er volgens de "Technische Commissie" in werkelijkheid in Auschwitz ononderbroken elke dag gemiddeld bijna 7.500 lijken zijn gecremeerd. Ad Absurdem in Gloriam....

Tegenwoordig gebruiken zich "historici" noemende vazallen van het internationale holocaustestablishment subtielere afrondingsfraudes bij hun "berekeningen", bijvoorbeeld door de theoretische maximumcapaciteit als effectieve capaciteit op te voeren.
Dat is alsof u het vorig jaar door u gereden aantal kilometers berekent door de maximumsnelheid van uw auto te vermenigvuldigen met het aantal uren dat hij in uw bezit was....

Van belang bij het beoordelen van de werkelijke capaciteit van de crematoria is de feitelijke operationele beschikbaarheid. Deze volgt uit vaste en variabele factoren, waaronder de bestaansperiode. De crematoria in Birkenau bestonden in de volgende periodes:

Krema II: 15 maart 1943 ­ 27 november 1944 (624 dagen)
Krema III: 25 juni 1943 ­ 27 november 1944 (522 dagen)
Krema IV: 22 maart 1943 ­ 7 oktober 1944 (566 dagen)
Krema V: 4 april 1943 ­ 18 januari 1945 (656 dagen)

Krema I werd na ingebruikname van de nieuwe crematoria buiten bedrijf gesteld. Krema II was door technische mankementen al de eerste week na oplevering buiten bedrijf tot 1 september. Krema III viel kort na gereedkomen definitief uit. Krema IV functioneerde slechts enkele maanden. Ook Krema V kwam vrijwel direct na de oplevering door ernstige technische mankementen buiten bedrijf.

Van de (opgeteld) 1.039 dagen waarin de crematoria in Birkenau in 1943 theoretisch operationeel waren, waren zij maar liefst 551 dagen buiten bedrijf (53%). In 1944 waren er resp. 912 theoretisch operationele dagen (ook Krema IV functioneerde geheel niet meer), waarvan 236 buiten bedrijf (26%).
Deze buitenbedrijf percentages golden voor de complete crematoria; uitvalperioden van individuele ovens komen daar nog bij.

Volgens het onderzoek van Mattogno et al. hadden de crematoria in Birkenau een gezamenlijke operationele beschikbaarheid van slechts 1.164 dagen.
Dat moet nog worden gecorrigeerd voor noodzakelijk cyclisch onderhoud en de daaraan onvermijdelijk verbonden afkoel- en opwarmtijden.
Bij cokesverbranding ontstaan namelijk al snel sintels ("slakken") die zich aan de verbrandingsroosters vastzetten, waardoor na verloop van enige tijd het verbrandingsproces onmogelijk wordt. Het verwijderen van sintels van de roosters was een moeizaam karwei waarvoor de ovens moesten worden afgekoeld en opnieuw opgestart. Mattogno stelt dan ook dat dagelijks 4 uur moest worden uitgetrokken om de ovens te onderhouden en schoon te maken, waardoor de theoretische bedrijfstijd per operationele dag hoogstens op 20 uur kan worden gesteld.

De theoretisch-maximale crematiecapaciteit voor geheel Auschwitz (inclusief Krema I) komt daardoor op 1.040 normale lichamen per dag. Dit is echter een theoretisch maximum aangezien blijkens een memo van 17 maart 1943 de normale bedrijfstijd van de crematoria 12 uur per dag bedroeg; de werkelijk maximale capaciteit bedroeg daardoor slechts 624 lijken per dag, ofwel 60% van het theoretisch maximum.

Het holocaustestablishment gebruikt echter een brief van SS-er Bischoff, die schreef dat de totale capaciteit van de crematoria in 24 uur 4.756 bedroeg. Dat dit aantoonbaar van elke realiteitszin was gespeend en kennelijk was bedoeld om op zijn superieuren in Berlijn indruk te maken, wordt door hen willens en wetens genegeerd.

Het theoretisch maximum aantal crematies in Auschwitz lag in totaal op 624 (maximaal aantal crematies per dag) maal 1.164 (dagen) = 726.000, maar het werkelijke aantal crematies moet alleen al vanwege de eindeloze technische problemen aanzienlijk lager hebben gelegen.

Dat lagere aantal blijkt onder meer ook uit de pijnlijk nauwkeurig bijgehouden cokes-administratie van de crematoria en het feit dat de vuurvaste stenen van de verbrandingskamers in Birkenau, die noodzakelijk na 3.000 crematies vervangen moesten worden, daaraan niet zijn toegekomen.

Onderzoek van Mattogno in de bewaard gebleven documenten van Auschwitz gaf namelijk geen aanwijzingen voor bestellingen of afleveringen van de aantallen vuurvaste stenen die nodig zijn voor de thans door de holocaustindustrie aangegeven aantallen verbrandingen (600.000 tot 1,1 miljoen).
De enig aangetroffen bestelling was bestemd voor reparatie van Krema I, voldoende voor 24.000 crematies. Opgeteld bij 138.000 verbrandingen die de ovens van Birkenau zonder vervanging aankonden, komt het aantal Auschwitz crematies in de buurt van het aantal geregistreerde gevangenen dat door de jaren heen daar door natuurlijke oorzaken om het leven kwam. (In de kampadministratie werden ook besteldocumenten voor crematoriumkaarten gevonden waaruit blijkt dat er in 1943 ca. 40.000 geregistreerde sterfgevallen waren en voor 1944 eenzelfde aantal werd verwacht.)

Men stelt zich de door de holocaustpromotie gepresenteerde situatie eens voor: nadat van een zojuist vergast transport (12.000 slachtoffers per keer) het theoretisch dagmaximum van ca. 624 lijken was gecremeerd, werden er in de gaskamers van de crematoria (volgens zeggen) de volgende dag wederom 12.000 nieuw aangekomenen "vergast", de dag daarop weer, enzoverder. Na twee weken zou de crematieachterstand zijn opgelopen tot bijna 160.000(!) te cremeren lijken.... Daarbij nog afgezien van de vele door natuurlijke oorzaken in het kamp gestorvenen.
Omdat de "gaskamers" zich in de crematoriumgebouwen bevonden, kon het niet anders of volgende groepen slachtoffers werden daar dus vóór hun eigen vergassing geconfronteerd met enorme aantallen nog te cremeren lijken.....

Voor wie of wat houdt de holocaustpromotie ons dat wij dit zouden moeten geloven?

 
37. CREMATIECAPACITEIT

Met historische gegevens wordt op allerlei manieren gemanipuleerd om het gewenste beeld over "de holocaust" te creëren.
Niettemin zijn er zaken waarmee nauwelijks te knoeien valt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het aantal lijken dat een crematorium in staat is te verbranden. Dat aantal is redelijk nauwkeurig vast te stellen, tenminste zolang men geen fantastische en onmogelijke uitgangspunten hanteert.

Media en holocaustliteratuur hangen echter de opvatting aan dat natuurwetten niet gelden voor "gaskamers" en nationaal-socialistische crematoria.

Voorbeeld is een verslag in de Los Angeles Times van 2 augustus 1979 over een bezoek van de US "Presidentiële Commissie voor de Holocaust" aan Auschwitz-Birkenau. De krant stelde dat de leden van de Commissie de crematoria bezichtigden, "welke tot 60.000 lijken per dag konden verwerken." Omgerekend is de benodigde verbrandingstijd per lijk daarbij precies 1,1 minuut . . .
Dit is helaas geen incident; het is eerder exemplarisch dat vooraanstaande kranten zulke waanzinnige "informatie" over "de holocaust" verspreiden zonder enig bewijs en zonder enige tegenspraak.

Om de werkelijke crematiecapaciteit van Auschwitz eerlijk te benaderen, gaan we uit van reële, controleerbare gevens. Dit zijn de uitgangspunten:

Verbrandingstijd per lijk: 1 uur (staat onomstotelijk vast voor cokesgestookte ovens)
Aantal verbrandingskamers in Auschwitz: 52
Aantal bedrijfsuren per dag: 12 1

Bestaansdagen
Effectief (60%)
2
 Uren  
Verbr.kamers
Theoretische capaciteit
4
Krema I
1.020
612
7344
6 3
44.000
Krema II
624
375
4500
15
67.500
Krema III
522
393
4716
15
70.740
Krema IV
566
340
4080
8
32.640
Krema V
656
394
4728
8
37.820
 
 
 
52 (totaal)
252.700

1 SS-memo d.d. 17 maart 1943 stelde de bedrijfstijd voor de crematoria op 12 uur per dag.
2 Uitvalpercentage van complete crematoria in 1943 was > 40%.
3 Aantal verbrandingskamers Krema I was aanvankelijk 2-4; later tot 6 uitgebreid.
4 Exclusief uitval van individuele ovens, bij 1 lijk kamer/uur.

Bij de hierboven genoemde totale crematiecapaciteit over de volle 5 jaar van Auschwitz's bestaan is nog geen rekening gehouden met de uitval van individuele ovens. Uitval van één oven betekende bij de Krema's II en III dat 3 verbrandingskamers tegelijk stillagen en 2 tegelijk bij de Krema's I, IV en V.

Gezien de slechte kwaliteit van de ovens, de schaarste aan reparatiematerialen en de ongeschoolde, slecht gemotiveerde en saboterende bediening, is het aan de voorzichtige kant te stellen dat individuele ovens 15% van de mogelijke bedrijfsuren buiten bedrijf waren. Dat vermindert de daadwerkelijke capaciteit tot 214.800. (Dr. F. Deana en C. Mattogno stellen in het eerste en enige deskundigenonderzoek naar de crematiecapaciteit van Auschwitz dat de maximale capaciteit ten hoogste op 172.000 kan hebben gelegen.)

Dit zijn reële cijfers, gebaseerd op de werkelijk aanwezige crematiecapaciteit. We zien daaraan dat er voor miljoenenaantallen "vergasten" in Auschwitz in de verste verten geen capaciteit aanwezig was. Zelfs al zou men het aantal bedrijfsuren met de helft opvoeren tot 18 uur per dag, dan nog komt men bij lange na niet aan 1,5 miljoen slachtoffers.

De suggestie dat altijd meerdere lijken in één verbrandingskamer werden geplaatst werd geïntroduceerd om de ontoereikende capaciteit van de crematoria in de buurt van het JHV-verhaal te brengen. Maar dit geeft geen soulaas, immers: meer lijken per kamer = meer massa = evenredig langere verbrandingstijd = is gelijkblijvende capaciteit.

Ook de gemelde lijkverbrandingen in greppels bieden geen uitweg. Dit gebeurde op relatief beperkte schaal, bij calamiteiten als epidemieën, als de normale crematoriumcapaciteit ontoereikend was. (Op die verbrandingen in putten c.q. greppels ga ik nog afzonderlijk in.)

De werkelijke crematiemogelijkheden tonen aan dat aantallen van miljoenen gecremeerden onmogelijk waren.
Ze bevestigen de revisionistische stelling dat het aantal omgekomenen in Auschwitz (Joden en niet-Joden tezamen en door alle oorzaken) in geen geval hoger kan zijn geweest dan 350.000.

Dat is maximaal 8% van het oorspronkelijk aantal en 23% van het huidige officiële aantal. De crematoria in Auschwitz (en andere kampen) blijken dan ook nooit ontworpen of gebouwd te zijn in het kader van een miljoenenuitroeiingprogramma.
Indien de Duitsers in Auschwitz met de daar bestaande middelen in 2 jaar tijd 1,5 miljoen Joden hadden willen vergassen/cremeren, zouden zij de beschikking moeten hebben gehad over 345 verbrandingskamers; bij 4 miljoen crematies zelfs over het krankzinnige aantal van 920. In werkelijkheid hadden ze er gelijktijdig nooit meer dan 46.

Dit weerlegt de theorie dat de nazi's de systematische fysieke uitroeiing van de Europese Joden zouden hebben voorbereid en daarbij aan de crematoria een sleutelrol zouden hebben toebedeeld.

De crematoriumcapaciteit was bestemd voor de (aanzienlijke) sterfte onder de omvangrijke kamppopulatie, niet voor massavergassingen.

Een geheel andere, maar eveneens doorslaggevende indicatie daarvoor, is het verbruik van vuurvaste ovenstenen.
Eerder is al aangegeven dat de vuurvaste stenen van de ovens na elke 2.000 crematies moesten worden vervangen, om beschadiging van de ovens te voorkomen. Men kan dat uitstellen tot bijv. 3.000 crematies, maar daarna raken de ovens absoluut en onherstelbaar beschadigd.

Als men, zoals holocaust-historicus Pressac in zijn standaardwerk Auschwitz: Technique and Operation of the Gas Chambers, ervan uitgaat dat in Auschwitz 775.000 mensen werden vergast, waarvan 100.000 verbrand in greppels, dan zouden er 675.000 in de crematoria moeten zijn gecremeerd.
Een simpele rekensom leert dan dat in elk van de 46 verbrandingskamers (Krema I was buiten bedrijf) 14.700 crematies hebben moeten plaatsvinden. Dat zou dus zo'n 5 x de complete vervanging van alle vuurvaste metselwerk in alle ovens nodig hebben gemaakt.

Voor zulke veelvuldige en omvangrijke leveranties van ovenstenen is in de complete en uitgebreide administratie van Auschwitz geen enkele indicatie gevonden. Ook van daarbij behorende omvangrijke periodieke werkzaamheden (ca. 7.200 manuren) en/of daarmee verbonden kosten, is in de boekhouding niet het geringste spoor aangetroffen. Geen correspondentie, geen transportbewijzen, geen bestellingen, geen facturen, niets.
(Voor aanhangers van de "de-Duitsers-vernietigden-alle-sporen-van-de-holocaust" theorie zij gezegd dat bijv. de complete Zyklon-B boekhouding ongeschonden in het kamp werd aangetroffen.)

Het niet uitvoeren van de noodzakelijke vervanging van de vuurvaste stenen maakt het technisch uitgesloten dat in Auschwitz 675.000 crematies (laat staan 1,5 miljoen of meer) zouden kunnen hebben plaatsgevonden.

 
38. COKESVERBRUIK CREMATORIA BEVESTIGT AANTAL CREMATIES

Ondanks de vele "ooggetuigen" die verklaarden dat lijken in de crematoria van Auschwitz "vanzelf" brandden, houden wij ons aan het natuurwetenschappelijke feit dat daarvoor aanzienlijke hoeveelheden brandstof nodig zijn.
In de ouderwetse cokesgestookte crematoria van Auschwitz vergde het verbranden van één lijk ca. 20-30 kg cokes.

Illusionisten, zoals de Nederlands-Canadese professor Robert Jan van Pelt, stellen echter dat gemiddeld 3,5 kg(!) cokes per lijk voldoende is, omdat "lijken in efficiënte crematie-ovens uit zichzelf branden". Inderdaad, zo komt men eenvoudig aan 10 x zoveel gecremeerde lijken als experts op grond van de verbruikte hoeveelheid cokes in de crematoria van Auschwitz voor mogelijk houden.

Dat deze onzinnige beweringen over cokesverbruik eveneens lijnrecht in tegenspraak zijn met de werkelijke capaciteit van de Auschwitz-ovens, mag hen niet hinderen.

De hoeveelheid cokes welke volgens de in Moskou teruggevonden nauwkeurige Duitse cokesadministratie aan de crematoria werd geleverd, komt - uitgaand van een reëel verbruik van 20-30 kg per lijk - overeen met de aantallen doden vermeld in de "Auschwitz'-Dodenboeken': 74.000 over de jaren 1941, '42 en '43.

Van november '42 tot en met oktober '43 werd bijvoorbeeld 760 ton geleverd aan de crematoria van Auschwitz, toereikend dus voor ca. 25.000 crematies. Dat is ongeveer ook het aantal overledenen dat voor die periode in de Auschwitz Dodenboeken is vermeld.
Ook daar dus, op het veronderstelde hoogtepunt van "de holocaust", geen enkele indicatie van "12.000 vergassingsslachtoffers per dag", wel de (zoveelste) bevestiging van het aantal "natuurlijk" gestorvenen in Auschwitz.
Van tien keer zo grote hoeveelheden cokes is in de cokesadministratie van het kamp vanzelfsprekend geen bewijs aangetroffen. Evenmin als van daarvoor benodigde transportmiddelen, opslagruimten, asafvoer, enz.

Als men uitgaat van 1,5 miljoen slachtoffers in Auschwitz en daarbij de door Pressac aangegeven verhouding crematies/verbrandingen toepast, komt men op 1.300.000 crematies. De daarvoor benodigde hoeveelheid cokes zou dan 25 kg x 1.300.000 = 32.500.000 kg hebben bedragen, ofwel 32.500 ton! Een door geen enkel feit of omstandigheid gesteunde gigantische hoeveelheid!

De JHV stelt dat per dag 12.000 mensen werden "vergast", dagelijks 10.440 crematies, waarvoor eveneens dagelijks 260 ton cokes (ca. 10 spoorwagons) zou moeten zijn aangevoerd en verbruikt!

Vaststaat dat de cokesreservoirs van de crematoria niet meer dan 20 ton konden bevatten. Bovendien staat vast dat de cokes niet per trein tot aan de crematoria kon worden gebracht, maar dat dit met karren moest gebeuren. Moet men hierover verder nog iets zeggen . . .?

 
39. AANTALLEN CREMATIES AUSCHWITZ ONMOGELIJK

Om 4 miljoen "vergasten" te cremeren, zouden de nazi's in Auschwitz tot 1988 volcontinu in de weer zijn geweest.

We hebben gezien dat de werkelijke crematiecapaciteit van Auschwitz-Birkenau over de vijf jaar van haar bestaan niet groter kan zijn geweest dan ca. 250.000. De grootste aantallen crematies vonden plaats in een periode van ca. 2,5 jaar, van zomer 1942 tot begin 1945. In die 2,5 jaar kunnen er volgens normale berekeningen niet meer dan 200.000 hebben plaatsgevonden.
Zelfs indien men het ruim stelt, bijv. op 200.000 in twee jaar, zou het meer dan 40 jaar hebben geduurd alvorens het laatste van 4 miljoen slachtoffers gecremeerd zou zijn (ergens tussen 1985 en 1988).
Gaat men uit van het aantal slachtoffers vermeld op de gedenkstenen in Auschwitz, 1,5 miljoen, dan zou de laatste crematie daar in 1960 hebben moeten plaatsvinden.

Een en ander maakt duidelijk dat de voor Auschwitz genoemde aantallen slachtoffers daar bij lange na niet kunnen zijn gecremeerd.

 

Lijkverbrandingen in de open lucht

Omdat spoedig bleek dat de crematoria de miljoenen lijken genoemd in de JHV nooit hebben kunnen verwerken, moet er volgens JHV logica een andere methode zijn geweest waarmee de nazi's honderdduizenden lijken zonder enig spoor konden laten verdwijnen.

Ooggetuigen vermeldden dat in Auschwitz grote aantallen lijken in diepe greppels en op stapels in de open lucht werden verbrand.
Met name nabij Krema V en bij een voormalig klein boerenwoninkje (in de holocaustliteratuur "Bunker 2" genoemd) werden door getuigen lijkverbrandingen gemeld.

Ongetwijfeld hebben er op het terrein van Auschwitz-Birkenau lijkverbrandingen in de open lucht plaatsgevonden. Met name tijdens epidemieën en bij de vele ernstige defecten aan de crematoria, zijn er als noodoplossing lijken in de open lucht verbrand. Ook werden eerder begraven overledenen later opgegraven en in de open lucht verbrand, vermoedelijk met het oog op grondwaterbesmetting. Dat was o.m. het geval met slachtoffers van de tyfusepidemie van zomer 1942. Omdat de nieuwe crematoria nog niet gereed waren, werden deze lijken in de open lucht (niet in greppels) verbrand. Door de visueel onafgeschermde omgeving in en rond Auschwitz en de crematoria zullen relatief veel mensen dat hebben kunnen waarnemen.

Dit soort verbrandingen kan echter niet anders dan een relatief beperkt karakter hebben gehad. We zullen daarop niet dieper ingaan, maar verbrandingen in de open lucht zijn uiterst onvolledig. Omdat daarbij minder hoge temperaturen bereikt worden dan bij crematie, blijven er namelijk veel botresten, onverbrande en verkoolde stukken weefsel over, die daarna alsnog moeten worden begraven. Het is daarom een "oplossing" die men alleen in uiterste noodsituaties en op beperkte schaal zal toepassen.

Niettemin vermeldden sommige getuigen dat er systematisch enorm grote aantallen lijken in greppels van 2 à 3 meter diep werden verbrand.
Dat is echter om aantoonbare redenen onaannemelijk.

In de eerste plaats is, zoals gezegd, de bereikbare verbrandingsgraad zeer onvolledig, waardoor grote hoeveelheden traceerbare menselijke resten zouden zijn overgebleven, resten die echter nooit zijn gevonden. Indien werkelijk honderdduizenden mensen op deze wijze zouden zijn verbrand, zouden daarvan de traceerbare sporen in de vorm van stoffelijke resten, botten, as, miljoenen tanden en kiezen, enz. kunnen worden opgespoord.
Archeologen zijn in staat verbrandingsresten van vier of vijf mensen uit de grijze oudheid terug vinden. Zou dat voor een miljoen of soortgelijk aantal verbrande slachtoffers van zestig jaar geleden dan niet mogelijk zijn?

In de tweede plaats was ­ ook dat zeiden we al eerder ­ het grondwaterpeil in het moerasgebied van Auschwitz extreem hoog.
Een uitvoerig onderzoek, Ground Water in the Area of the POW Camp Birkenau (1998), van twee onafhankelijke grondwaterdeskundigen, Dipl.-Ing. Michael Gärtner en Dipl.-Ing Werner Rademacher, geeft als conclusie: "Verbrandingsputten van de door de getuigen genoemde diepten waren in Birkenau onmogelijk."

Een half jaar na het verschijnen van dit rapport werd dit door de Duitse Inquisitie in beslag genomen en vernietigd. De auteurs werden wegens "Volksopruiing" en "Aanzetten tot haat" (sic!) vervolgd, hetgeen volgens mij bepaald niet aanmoedigt tot het verrichten van onafhankelijk deskundigenonderzoek naar de Joodse Versie van "de holocaust" . . .
Wie verbaast zich dan nog over het enorme gehalte leugens van de Joodse Holocaust Versie?

Onder de duizenden luchtfoto's door de Geallieerden en Sovjets van Auschwitz genomen, is er slechts 1 waarop is te zien dat er op beperkte schaal iets (afval of lijken, dat kan niet worden vastgesteld) werd verbrand. Alle andere luchtfoto's, ook die genomen tijdens het hoogtepunt van de veronderstelde vergassingen, tonen daarvan niets. Geen grootschalige greppels, geen putten, geen vuren of rookpluimen, geen transport van duizenden lijken, niets.

De "getuigenverklaringen" waarin sprake is van 2-3 meter diepe greppels met onderin een speciale gleuf waarin het gesmolten vet van de lijken wegstroomde (waar naartoe? naar boven?) zonder dat dit vlam vatte, laten we maar rusten. En ook de verhalen over vrouwen en kinderen die door sadistische SS-ers levend in deze greppels werden geworpen laten we maar liever zonder commentaar. Beroepsholocaustoverlevende en daardoor Nobelprijswinnaar Eli Wiesel werd letterlijk (zegt hij) "op de rand van zo'n greppel gered", echt waar, hij voelde het vuur, "het was een wonder").

 
40. FOTO'S BEWIJZEN "DE HOLOCAUST" NIET

Wie kent ze niet, de afschuwelijke en gruwelijke foto's van honderden opgestapelde uitgemergelde lijken en levende geraamten in nazikampen? Foto's van selecties op perrons, terechtgestelden, opgehangenen, crematie-ovens en prikkeldraad?

Beelden als met een mes in het collectieve bewustzijn gekrast. Niettemin, ondanks alle onloochenbare verschrikkingen van het getoonde, bewijzen die foto's niet dat er een Holocaust heeft plaatsgevonden zoals de Joodse Versie die wil laten geloven.

Van de vele tienduizenden foto's is er namelijk niet één die een "gaskamer" toont, niet één een vergast lijk, niet één te cremeren vergassingsslachtoffers, niet één van mensen die anders dan door ziekte en ellende om het leven kwamen.

Tienduizenden foto's werden er gemaakt van tientallen kampen. Genomen door Duitse militairen, door burgers, door verzetsmensen, bij Geallieerde luchtverkenningen, enz., zowel tijdens als direct na het Duitse regime.

En toch bestaat er niet één foto welke ­ bij zorgvuldige beschouwing ­ bewijst dat het werkelijk om selectie voor "gaskamers" gaat, om "vergassingen" of om "vergaste" lijken.
Wisten de nazi's in die overbevolkte kampen al die jaren die misdadige massavergassingen dan zo goed voor de buitenwereld verborgen te houden? Volgens gelovigen in de Joodse Holocaust Versie wel.

Wat de holocaustpropaganda al zestig jaar lang over ons uitstort zijn foto's en beelden waarvan alleen de teksten en commentaren suggereren dat het zou gaan om "selecties", "gaskamers", "vergassingen" en "miljoenen joodse slachtoffers".
Zeker is, dat als er ook maar één foto zou zijn geweest welke "selecties" of "gaskamers" kon bewijzen, die ons elke dag en op elke plaats van de wereld zou worden voorgehouden. Maar zo'n foto bestaat niet.

Vergelijken we de teksten bij de foto's eens met wat de foto's in werkelijkheid tonen.

Enkele willekeurige foto's, bijvoorbeeld die van zgn. "selecties voor de gaskamers" afkomstig uit The Auschwitz Album, 193 foto's begin juni 1944 door SS-ers in Auschwitz gemaakt, op het hoogtepunt van de veronderstelde "holocaust", gepubliceerd op de Yad Vashem internetsite. Deze officiele site stelt dat de serie foto's het visuele bewijs zijn van massamoord in Auschwitz-Birkenau.

"Joden ondergaan het selectieproces op het Birkenau aankomstplatform..."
Het bijschrift bij deze foto luidt: "Joden ondergaan het selectieproces op het Birkenau aankomstplatform. De mensen op de achtergrond zijn op weg naar Crematorium II, nog juist zichtbaar midden boven op de foto (FA- 268/26)."

Wie de foto goed bekijkt ziet echter geen "selectieproces" (de "selectie" heeft reeds plaatsgevonden!), maar wel twee rijen mensen: een korte met uitsluitend vrouwen en kinderen en een langere met uitsluitend mannen.
Birkenau had een apart vrouwen- en mannenkamp. Gevangenen moesten bovendien verplicht na aankomst gescheiden douchen en hun kleding laten ontluizen. Dat gebeurde in twee enorm grote badhuizen midden in het kamp, door gevangenen de "Sauna" genoemd.

In plaats dat deze foto's het bewijs leveren voor selectie van "arbeidsgeschikt en arbeidsongeschikt" ("gaskamers"), is duidelijk sprake van scheiding naar sekse. In de rij met vrouwen bevindt zich namelijk niet één (arbeidsongeschikte) man en in de rij mannen is geen enkele vrouw te zien! Bovendien, als dit een "selectie" voor "de gaskamers" zou zijn, zou (volgens de logica van de JHV) de rij met arbeidsongeschikten (vrouwen en kinderen) minstens 6 keer langer moeten zijn dan de rij arbeidsgeschikten. De foto toont echter het omgekeerde!

Dus is deze foto allesbehalve het "visuele bewijs van het proces van massamoord" zoals de holocaustpromotie beweert!

Ook is er geen aanwijzing dat de lange rij mensen op de achtergrond op weg zou zijn naar het Crematorium(!); waarschijnlijker is dat de rij ver daarvoor linksaf slaat, waar - voor wie de plattegrond van Birkenau kent - zich midden in het kamp het enorme badhuiscomplex bevond.

Let bovendien eens op dat Crematorium in de verte. Die is vanaf grote afstand open en bloot zowel in het kamp als daarbuiten zichtbaar. Kan men zich voorstellen dat daarin dagelijks vele duizenden mensen voor iedereen vanaf grote afstand te zien zouden zijn vergast? En zo ja, hoe verhoudt zich dat dan met die "uiterste geheimhouding" welke de nazi's zouden hebben betracht?

En waar zouden de duizenden vergaste lijken in zo korte tijd naar toe moeten? De (alleen theoretische) maximumcapaciteit van Krema II bedroeg minder dan 200 lijken per dag. De volgende groep slachtoffers (er werden er elke dag immers 12.000 "vergast") stond immers alweer klaar? Crematorium III lag nota bene pal naast II, zodat het massale vergassingsgebeuren met alle duizenden ongecremeerde lijken van dien, dag-in-dag-uit voor het oog van iedereen zou plaatsvinden . . . .

Let ook eens op de minimale Duitse aanwezigheid op de foto's, zonder spoor van "selectie-artsen" of grove dwang. Indien er paniek zou uitbreken onder de duizenden op weg naar "gaskamers" (waarvoor één simpel gerucht bij één van de honderden transporten al zou kunnen zorgen) zouden de bewakers eenvoudig onder de voet worden gelopen. En (alweer), wat dan met die "uiterste geheimhouding" van de nazi's?

Kortom, deze foto toont niet wat men wil suggereren, dus geen selectie voor "gaskamers".

Hieronder een andere foto van een zogenaamde "selectie voor de gaskamers".

"Joden tijdens de selectie op het aankomstplatform"
Het bijschrift:
"Joden tijdens de selectie op het aankomstplatform. Op de achtergrond de befaamde toegangspoort tot het kamp. Enkele langer in het kamp verblijvende gevangenen helpen de nieuwkomers."
Weer twee groepen mensen: één rij vrouwen en kinderen op de voorgrond en één rij uitsluitend mannen op de achtergrond.
Niets selectie van arbeidsgeschikten en arbeidsongeschikten voor "de gaskamers". Men ging gescheiden baden en daarna de mannen naar het mannenkamp en vrouwen en kinderen naar het vrouwenkamp.

De sfeer lijkt ontspannen, hetgeen ook blijkt uit de toevoeging "langer in het kamp verblijvende gevangenen helpen de pas gearriveerden". Dit nu is te krankzinnig voor woorden; het toont de onzinnigheid van de zogenaamde "selectie voor gaskamers" aan. Want, kan een bij zinnen zijnd mens zich voorstellen dat geen van die gevangenen de nieuwkomers niet zou hebben ingefluisterd dat zij over enkele minuten met hun kinderen in gaskamers zouden worden vergast?

Dit tart natuurlijk elk voorstellingsvermogen en is volstrekt ongeloofwaardig.

Laten we het gebruik van foto's waarmee men tracht de Joodse Holocaust Versie aannemelijk te maken eens verder analyseren.

Holocaustfoto's zijn er in 4 soorten:
1. Echte, niet geretoucheerde foto's met juiste onderschriften
2. Echte, niet geretoucheerde foto's met valse onderschriften
3. Echte foto's, maar geretoucheerd en/of vervalst
4. Complete vervalsingen.

De foto's in categorie 1 zijn relatief zeldzaam. Ze tonen beelden van alle tijden en alle oorlogen.
De foto's in categorie 2 zijn authentiek, maar de bijschriften zijn vals. Gewoonlijk zijn het van haat en politieke afkeer doordrenkte beschrijvingen, die door het getoonde beeld moeten worden versterkt.
Categorie 3 zijn foto's met ingetekende of geretoucheerde details welke veronderstelde vijandelijke misdaden moeten "bewijzen". Leugenpropaganda in optima forma dus.
Categorie 4 tenslotte zijn volkomen in scène gezette beelden, tekeningen, projecties, etc. die aan de vijand toegeschreven misdaden aannemelijk moeten maken.

Van elk van deze categorieën geef ik enkele voorbeelden. Ze zijn grotendeels ontleend aan het artikel Do Photographs Prove the NS Extermination of the Jews? van Udo Walendy, geplaatst in Dissecting the Holocaust.

Voorbeeld 1. (hieronder) is die van het zonder enige vorm van proces vermoorden van 520 gevangengenomen Duitsers door de Amerikanen in Dachau. Dit is een foto uit Categorie 1, dus ongeretoucheerd en met een correct bijschrift.

Amerikaanse soldaten maken kort proces met 520 krijgsgevangenen
Een voorbeeld uit de grootste categorie, Categorie 2 dus, is authentiek maar met een vals bijschrift. Een massamoord in Kiëv toegeschreven aan het Duitse Nachtigall Bataillon. In werkelijkheid zijn het slachtoffers van de Sovjet NKVD die vlak voor hun terugtocht genadeloos tienduizenden van hun politieke gevangenen vermoordden.

'3.000 door de nazi's uitgehongerde en doodgeslagen
slavenarbeiders in kamp Nordhausen'

Eveneens ongeretoucheerd met vals onderschrift is bovenstaande foto in het Amerikaanse Life magazine van 21 mei 1945, met als bijschrift: 3.000 door de nazi's uitgehongerde en doodgeslagen slavenarbeiders in kamp Nordhausen.

In werkelijkheid waren deze "uitgehongerde en doodgeslagen slavenarbeiders" allen slachtoffers van Geallieerde bombardementen op dit Duitse industriële complex.

 

Een andere toepassing van valse bijschriften is die van gestorvenen in het niet van "vergassingen" verdachte Bergen-Belsen. Omdat massamoordfoto's van Auschwitz eenvoudig niet bestaan, neemt men eenvoudig die van tyfus-slachtoffers uit een ander kamp: "Auschwitz zoals het werkelijk was," enz.

"Auschwitz zoals het werkelijk was"

Een beruchte vervalsing uit Categorie 3 (geretoucheerd/vervalst) is een luchtopname in 1979 door de CIA vrijgegeven, waarop de beruchte, nooit bestaand hebbende "inwerpgaten voor Zyklon-B bovenop de "gaskamers" van de Crematoria II en III zijn ingetekend.

Op de bewuste luchtfoto is links Krema II zichtbaar en rechts Krema III. Beide zijn bouwtechnisch exact aan elkaar gelijk maar spiegelbeeldig tegenover elkaar gebouwd.

Gesteld werd dat op elk van de "gaskamers" zich 4 "inwerpgaten" op het gewapend betonnen dak zouden bevinden. Echter, direct al valt op dat deze bij Krema II verspringend ten opzichte van elkaar liggen en bij Krema III parallel. Ook klopt de lengte van de "inwerpgaten" niet, want dan zouden ze enkele meters breed moeten zijn geweest. Ten derde ligt de schaduw in de verkeerde hoek vergeleken met de schaduw van de schoorsteen. Ten vierde bevinden deze "gaten" zich niet op corresponderende plaatsen van de nog bestaande restanten van het dak. Ten vijfde zijn op geen van de andere foto's deze "objecten" ooit gesignaleerd.

Kortom, een regelrechte vervalsing, bedoeld om het bestaan van "inwerpgaten" (zonder welke "vergassingen" onmogelijk waren en dus ook geen Joodse Holocaust Versie) aannemelijk te maken. Zei de Franse revisionist professor Faurisson immers niet openlijk "Geen gaten, geen holocaust"?

Ook onderstaande foto van "in Estland vermoorde Joden gereed voor verbranding", is geheel in scene gezet.

"in Estland vermoorde Joden gereed voor verbranding"
Wie goed kijkt ziet dat de houding van de "lijken" nogal merkwaardig is....
Kennelijk waren zij tijdens het nemen van de foto net zo levend als u en ik. Enkelen hebben hun pet nog op; die krankzinnige sadistische nazi's moeten dus de petten op de hoofden hebben vastgelijmd.

De auteur van het zoveelste boek over nazi-gruwelen suggereren wij als onderschrift:

"Door de nazi's te verbranden Joden in Estland, geduldig poserend voor de fotograaf".

Veel foto's en films van uitgemergelde lijken en levende geraamten, synoniem voor "de holocaust", werden gemaakt in Bergen-Belsen, een Duits kamp waar niet werd "vergast". Bergen-Belsen was qua verzorging en omstandigheden een voorbeeldig kamp. Pas in de laatste oorlogsmaanden veranderde dit in een hel op aarde.

Door het kamp en de slachtoffers in één adem te noemen met "gaskamers" en "vergassingen", verbindt men ten onrechte het een aan het ander. Daarvoor is in werkelijkheid geen aanleiding.
Wie de lijken op de foto's van Bergen-Belsen nader beschouwt, ziet nooit normaal uitziende mensen, maar uitsluitend volkomen uitgemergelde lijken vol vlekken. Met andere woorden: de symptomen van het laatste stadium van vlektyfus.

Geallieerde filmers hadden de opdracht de gruwelijkheden in de kampen uitvoerig in beeld te brengen en de vijand zo duivels mogelijk af te schilderen. Daarbij werd niet altijd zorgvuldig met de waarheid omgegaan.
Een getuige zag op 16 juni 1945 op een afgelegen perron in Erfurt een streng bewaakte verzegelde trein met gewonde, zieke, stervende en dode Duitse soldaten. Zij werden 's nachts naar Buchenwald, Dachau en andere kampen vervoerd om daar als "slachtoffers van nazigruwelen" te worden gefilmd. De lijken werden in Buchenwald gedumpt en de bevolking van Weimar werd gedwongen om voor het oog van de camera langs die "slachtoffers van de nazi's" te defileren.

De verfilmer van dit wereldwijd bekend geworden neptafereel was de joodse Hollywood-regisseur Alfred Hitchcock, later populair geworden als "vader" van een bepaald genre horrorfilms ("Master of Suspense"). Hij was het ook, die voor het Internationaal Militair Tribunaal de situatie in veel kampen voor het nageslacht vastlegde.

Met foto's van tyfus-slachtoffers in Bergen-Belsen werd het visuele beeld van "de holocaust" gecreeerd. Impliciet wordt gesuggereerd dat dit representatief is voor alle Duitse kampen gedurende de oorlog. Dat was echter niet het geval. Bergen-Belsen gold gedurende de oorlog als een voorbeeld van hygiëne en correcte verzorging, zoals door talloze ex-gevangenen is verklaard. Het kamp telde tot 10 maanden voor de bevrijding niet meer dan 3.500 ingezetenen.

Pas toen eind 1944 grote groepen gevangenen uit de Oostelijke kampen (o.a. Auschwitz, waaronder Anne Frank en haar familie) voor het oprukkende Rode Leger naar Bergen-Belsen werden overgebracht, liep het aantal op tot boven de 55.000. De meesten waren bij aankomst ziek en uitgeput. Commandant Kramer protesteerde heftig bij zijn superieuren tegen die toevloed, die zijn kamp in geen enkel opzicht aankon. Hij had geen ruimte, geen medische verzorging en de toevoer van voedsel, medicijnen en water lag stil vanwege bombardementen op wegen, bruggen, spoorlijnen en magazijnen.

Ook al zouden de Duitsers dat hebben gewild, het was onmogelijk de gevangenen vrij te laten: velen onder hen waren gewone criminelen. Anderen fel anti-Duits, anti-nazi of leden aan besmettelijke ziekten. Gezonde gevangenen hadden in die oorlogsomstandigheden geen plaats om naar toe te gaan. Vrijlating zou zowel voor de gevangenen als voor de Duitse bevolking tot een tragedie hebben geleid.

In die laatste oorlogsmaanden braken allerlei epidemieën uit, waardoor duizenden stierven, aan tyfus en andere ziekten, honger, uitputting en ellende. De talloze uitgemergelde lijken konden niet meer worden verbrand of begraven.

Totaal stierven er tijdens de oorlog in Bergen-Belsen ca. 7.000 mensen. Het overgrote deel daarvan in de laatste 7 maanden. Na de bevrijding stierven er onder Brits beheer echter nog eens 14.000.
Dachau sterftecijfers
1940
1.515
1941
2.576
1942
2.470
1943
1.100
1944
4.794
1945
15.384
Wat voor Bergen-Belsen gold, gold voor vrijwel alle Duitse kampen. In Aflevering 9 gaven we reeds een overzicht van het sterfteverloop in Dachau. In dat kamp verbleven in 1945 206.000 gevangenen. Tijdens de oorlog stierven er (volgens officiele cijfers):

Deze cijfers laten in 1942 een daling zien en in 1943 ­ op het veronderstelde hoogtepunt van de "holocaust" - zelfs een halvering! Eind '44 woedde ook daar een tyfusepidemie. Tweederde van de totale sterfte vond plaats in die laatste 7 oorlogsmaanden, niet door moedwillig beleid of sadisme van de Duitsers, maar door tyfus, de algehele en rampzalige chaotische wanorde de Geallieerde dag-en-nacht bombardementen.